De 'petite guerre'
- janine
- 14 uur geleden
- 3 minuten om te lezen
Wat je over oorlogen leest gaat meestal over veldslagen, belegeringen en de aanvoerders. Of over het aantal doden en gewonden en welke belangrijke mensen er sneuvelden. Voor mijn verhaal is juist de andere kant interessant: wat betekende een oorlog voor de mensen die in het gebied woonden waar de oorlog werd uitgevochten; hoe groot was die impact, hoe ging het er tussen de manschappen onderling aan toe, wat aten ze en waar kwam dat eten vandaan, wie reisden er nog meer mee met het leger?
Op zoek naar meer details over de alledaagse kant van oorlogen (de ‘petite guerre’) stuitte ik op een verrassende scriptie van Marcus Boon. Hij onderzocht wat er in de oorlogszomer van 1702 gebeurde op het platteland in Staats-Brabant. Dat jaar was het begin van de Spaanse Successieoorlog, en is ook het moment waarop een van mijn hoofdpersonen, Samuel Sylvius, van Den Haag naar de zuidelijke Nederlanden reist.
De scriptie gaf een aantal verrassende inzichten. Zo waren de legers enorm: aan beide kanten vochten wel een half miljoen soldaten en er werden veldslagen geleverd tussen legers van soms meer dan 100.000 man. En dan reisden er in het kielzog van het leger nog allerlei andere mensen mee én een groot aantal paarden. Al die mensen en dieren moesten eten. Het was een enorme logistieke operatie om te zorgen dat er op het juiste moment voldoende voedsel was. Die logistiek was misschien nog wel belangrijker dan de vaardigheid van de manschappen om een oorlog te kunnen winnen. Marcus Boon schrijft dat voor een leger van 60.000 man en 40.000 paarden dagelijks 90.000 rantsoenen brood van 1 1/5 pond nodig waren, en voor de paarden 1000 ton verse foerage (zoals gras) of 400 ton ‘droge’ foerage (zoals hooi en haver).
Het brood werd gebakken in veldbakkerijen, en met wagens naar het leger vervoerd. Voor het uitbreken van de oorlog waren beide kampen al lange tijd bezig met de voorbereiding van de voedselvoorziening en het vervoer daarvan. Er waren contracten afgesloten met bakkers, ovens ingericht, en ga zo maar door. De meest efficiënte manier om het leger te bevoorraden was per schip, dus was het belangrijk om de waterwegen in het oorlogsgebied te beheersen. Voer voor de paarden werd veelal uit het gebied gehaald waar de manschappen gelegerd waren. En omdat dat voer in de winter niet beschikbaar is duurde het ‘vechtseizoen’ van eind april tot eind november. In de winter werd dus niet gevochten.
Naast het brood waarin door het leger werd voorzien, konden de mannen ook terecht bij de ‘zoetelaars’ en ‘marketensters’ voor kaas, vlees en andere zaken om hun maaltijd aan te vullen. En natuurlijk werd er ook een ‘beroep’ gedaan ook de plaatselijke bevolking, die al dan niet tegen betaling ook het nodige voedsel verschafte. Nieuw in de achttiende eeuw was dat er afspraken werden gemaakt met de steden en de dorpen over de bijdrage (‘contributie’) die ze moesten leveren: een vorm van belastingheffing op de vijand, afpersing is wellicht een beter woord, om bij te dragen in de kosten van de oorlog. De afspraak was dat degenen die de overeengekomen bijdrage leverden gevrijwaard zouden worden van plunderingen. Helaas bleek de praktijk weerbarstiger. De doortocht of het kampement van legers betekende altijd een grote schadepost aan vernielde gewassen, geroofde voorraden en weggevoerd vee, soms gedwongen levering van diensten (onderdak, voedsel, vervoer of arbeid). En uiteraard waren er ook plunderingen, geweldplegingen en brandstichting.
De oorlog tussen Frankrijk en Spanje aan de ene kant, en de Republiek, Engeland en bondgenoten aan de andere kant, werd grotendeels uitgevochten in de Zuidelijke Nederlanden. Een gebied dat vooral bedoeld was als ‘buffer’ tussen de grootmachten. Een soort rol als figurant, maar dan wel een die aan alle kanten de gevolgen van de oorlog voelt. Na de Vrede van Utrecht in 1713 bleef er een verarmd platteland over. Ook de Republiek profiteerde overigens nauwelijks van de ‘overwinning’ op de Frans-Spaanse coalitie. De Gouden Eeuw was al een tijdje op zijn retour, en de winst in de oorlog keerde die economische neergang niet. Maar wie weet kan Samuel Sylvius de loop van de geschiedenis nog een beetje beïnvloeden…

Marcus Boon (2012). ‘En ’t gene sij niet mede konden nemen hebben sij aen stukken geslagen en verschuert…’ De verzorging van het leger, de plattelandsbevolking en de ‘petite guerre’ in de Meierij van Den Bosch tijdens het eerste jaar van de Spaanse Successieoorlog. Universiteit Utrecht



Het onderzoeksthema voor een 2-jaarlijkse publicatie van de Zuiderwaterlinie gaat over voedselvoorziening in het verleden. Heel interessant onderwerp inderdaad. Misschien leuk om jullie met elkaar in contact te brengen?
De legeraanvoerder van de Engelsen en de Republiek, de hertog van Marlborough, trok zo verwoestend langs de Maas, dat enkele dorpen tot heden ten dage het gebruik van "Malbroek verbranden" kennen, zoals in Kessenich tijdens de laatste kermisdag in juli. Zie https://halloonline.nl/verhalen/bericht/hallo-historie-de-kasteelruine-van-weert-en-een-oud-volksgebruik-het-belgische
Spannend! En informatief! Leuk!